Symen Symens van der Wal, Woudsend 21.5.1812 - Heeg 5.9.1845     index

ouders
Symen Ennes van der Wal, 1789-1826
Beitske Klazes Blomsma, 1789-1824

gehuwd met
18.11.1832 IJlst Baukje Gooitzens Buma, 1804-1834

kinderen
* Gooitzen van der Wal, 1833-1912

woonplaats en werkzaamheden:
kleermaker in Woudsend en Heeg

documenten
Symen Symens van der Wal had een zwakke gezondheid en werd maar 33 jaar oud.
Hij was zeer belezen op het gebied van het geloof en schreef daar ook veel over.
Van hem zijn (afschriften van) een aantal "briefboeken", "dagboeken" en
"overdenkingen" uit de jaren 1840-1843 bewaard gebleven.

Op advies van ds W. Brakel slaat Symen aan het schrijven, met onder meer
als overweging: "daarbij ben ik mij zelven ook niet bewust, dat mijn geheugen
altijd gelijk zal blijven, maar eerder denken moet dat 't na verloop en indien
de Heer mij leven wil sparen, tot den ouderdom verminderen zal (..)."

In een brief van 23.7.1840 beschrijft hij "mijne afkomst en geboorte, zoveel
als mij daarvan is overgelevert":

"Siemen Ennes van der Wal, geboren den 12 December 1789 te Nijega in 't kanton
Hindelopen, en mijn moeder Beitske Klazes Bloemsma geboren den 7 Augustus 1789
te Leeuwarden wierden door den Egt aan elkaar verbonden op den 23 mei 1811.
Welks huwelijk na hunne voorgenomen gedachte vervroegt wierdt om de dienstbaarheid
van het Fransche Juk, daar ons beminde Vaderland nog destijds was onder zuchtende,
te ontwijken. Maar vonden zich al spoedig door misvatting hierin teleurgesteld,
daar het zelve, wanneer 't tot datzelve einde dienen zouden voor den eersten
January deszelven jaars, moest voltrokken zijn geweest, [.. Paasman tekent
hierbij aan dat de datum voor vrijstelling wegens huwelijk niet 01.01.1811
was, maar 23.02.1811: de datum van het decreet van Napoleon waarop hij
de conscriptie in het departement Holland regelde..] aan de loting voldoen
moetende viel hem het zozeer gevreesde lot te beurt, welk tengevolge had, door
allerlei pogingen aangewend te hebben, en mislukt te zien, dat hij Oktober
deszelven jaars, van zijn vrienden en bekenden, van zijn betrekkingen en naast-
bestaanden en van zijn zwangere vrouw, moest afscheid nemen, met die hoogst
waarschijnlijke gedagte, van elkanders aangezigten in dit land der levenden
niet weder te aanschouwen.
In dezen toestand was het tevens mijne moeder aangenaam bij haar zorgdragende
moeder, Aaltje Yges, die weduwe was, en bij haar enige zuster in te wonen:
daar zij gezamenlijk hunne handen gebruikten, en ten diensten uitstrekten
om de vereischte nooddruft te verkrijgen, en elkander met onderlinge hulp
bijstonden, waarin mijn moeder de grootste behoefte had, om de armkas niet
te bezwaren, daar zij anders regtmatige aanspraak op zou gehad hebben.
In deze hunne droefheid werden zij verblijd, door de verlossing mijner
moeder van een welgeschapen zoon, daar ik geboren ben te Woudsend den
21ste Mei 1812 en den naamgenoot wierd van mijnen Vader, uit hoofde dat
hij destijds aan een bedenkelijke ziekte krank lag, in het hospitaal te
Maagdenburg, en wel de oorzaak geweest is, dat hij niet verder opgetrokken
is, nog in meer moeilijkheden zich gewikkeld zag.
Mijn ouders tot de Herv. Godsdienst behorende, zoo wierd ik door mijn
Grootvader Enne Foekes van der Wal opgedragen aan den DrieŽnigen en
Volzalige verbonden God in den Heiligen Waterdoop, en mocht zoo met de
besprenging des waters door de hand des dienaars (den Wel. Eerwaarden
en Zaligen Heer Ds. C. van der Velde) het teken en zegel van 't Verbond
der genade, aan mijn voorhoofd ontvangen.
Maar de blijdschap welke mijn geboorte verwekt had, wierdt spoedig
achtervolgt, met eene langdurige sukkeling van eenige maanden, die mij
en mijne moeder bezocht, maar door de hand der Voorzienigheid terug
gebragt zijnde, van de rand des grafs zelfs, boven de verwachting van
de geneesheren mogte mijn Vader ons en mij voor het eerst op den
8ste Maart 1814 weder in welstand na een afzijn van derde half jaar,
elkander aanschouwen.
Mijn ouders hunne woonplaats hier te Heeg nemende wierd ik ter schole
besteld, en was voordelig in 't leven."

Symen schrijft verder dat hij op negen-en-een-half-jarige leeftijd
"maar al te vroeg is onttrokken aan het onderwijs om tot kleermaker
te worden opgeleid omdat ik een aanleg van een niet sterk ligchaam had."
Op 11-jarige leeftijd trekt hij in Woudsend in bij zijn grootmoeder
Aaltje Yges en moei [Corneliske]. Hij heeft regelmatig slapeloze nachten,
en is al op jonge leeftijd ernstig in de weer met godsdienstige zaken.
Hij leest bv het boekje van Bunjan (des christenreize na de eeuwigheid),
maar hij kent de nodige aarzelingen om deze gedachten met anderen te delen,
want hij schrijft dat hij bang was om door zijn leeftijdgenoten uitgejouwd te
worden als "fijne en dweeper".
Over zijn moeder schrijft hij dat ze in de jaren van haar ziekte (de teering)
"veeltijds bezwaard was om haar zes nog jonge kinderen", waarvan de jongste
nog maar 25 weken oud, vier weken eerder dan de moeder "voor haar uitging
in 't volle licht". Beitske overlijdt op 17 juni 1824.
Op 15 augustus 1826 worden Simon, drie broers en de zus "ontbloot van onze
ouders door de dood van mijn vader". Grootmoeder Aaltje en moei Corneliske
ontfermen zich over de wezen door "zich om onzentwil [te] verplaatsen in de
winkel van onze vader."
In de jaren daarna is Symen de weg kwijt en gaat hij aan de zwier in een
"ongebonden en ijdele levenstrant", "wulpse en lichtzinnige gezelschappen
wierden niet gemeden, de kermischen wierden allerwegen trouw bezocht, drinken,
spelen, dansen en onbeschaamde gesprekken (..)".
Echter op 18-jarige leeftijd "behaagde het de Heer van onbegrensde ontferming,
mij met een pijl in mijne ziel te treffen (..)"
"Mijn werk was lezen, bidden, weenen en kermen om God te bewegen (..)"
Hij wordt voor militaire dienst "geroepen om aan het lot te voldoen",
maar op 19 januari 1831 krijgt hij "een gelukkige uitslag".
Op 3 april 1831 doet hij "openlijke belijdenis des geloofs" en beschrijft
hij een "behoefte aan het avondmaal onzes Heren". Maar achteraf beschuldigt
hij zichzelf: "ik maakte van mijne gemoedswerkzaamheden de grond".
In IJlst ontmoet hij Boukje Gooitzens Buma, en komt hij "op de gedachte
dat zij wel een goede vrouw voor mij wezen konde; die gedachte wierd naderhand
door mij aan Haar bekend gemaakt" en ze trouwen op 18 november 1833, waarna
ze eerst in IJlst gaan wonen, waar Boukje met haar "bedaarde geest"
een winkel drijft. Ook nu weer achteraf heeft Symen een bezwaard gemoed over
het trouwen met Boukje omdat hij daarin "na de vleesche handelde".
Op 22.2.1833 overlijdt de zorgzame grootmoeder Aaltje Yges en ook in
de familie van Boukje komen veel sterfgevallen voor; ze nemen de jongste
zuster van Boukje met haar twee kinderen bij zich in huis.
Op 18.11.1833 wordt de zoon van Symen en Boukje geboren, die door Symen
in zijn "briefboek" Ben-Oni genoemd wordt...
Gauw daarna openbaren zich de tekenen van "teering" bij Boukje. Ze verhuizen
nog naar Heeg, en op 21.8.1834 overlijdt Boukje, "maar even twee en twintig
jaren oud zijnde, bleef ik met mijn kind over als een verlatene..."
Symen denkt er over "weder een vrouw te zoeken", maar het komt er niet meer van,
ook al schrijft hij later in zijn dagboeken dat hij nog wel eens in de
verleiding gebracht wordt "slechts door aanleiding van de opslag der oogen
overvallen van eene zeer zondige begeerte in mijn hart", maar hij kan deze
begeerte blijkbaar snel de baas en zij wordt "in hare geboorte gesmoord".
Hij stort zich in de "groote ontroering en gisting in onze vaderlandsche kerk,
de afscheiding (..) daar ik zeer heet en opgewonden mee wierdt" en ook hij stapt
"midden in die vlam (..) met een heet hoofd en een koel hart", gevoed door
"leerredes" (preken) die hij haalt "te Sneek bij de boekverkoper".
Op 1.10.1841 overlijdt zijn broer Albert (ruim 21 jaar).
In de jaren daarna klaagt Symen regelmatig over "zwaare hoofdpijn" en andere
"pijnlijkheden die mij meenigmaal de gedachte doen voeden dat het een aanleg
van teering is".
Het werk is in die jaren ook nogal wisselend. In 1842 schrijft hij: "thans zeer
sobere werkzaamheden hebbende, is het voor ons eene schadelijke tijd, waarover
ik nu en dan wel moedeloos kan zijn". In april 1843 schrijft hij echter: "Deze dag was
voor mij eene drukke dag en ik hijg als een daglooner." Door die drukte lukt het
hem niet altijd toe te komen aan zijn meest geliefde bezigheden: "mijn lust en
vermaak om een nuttig en stichtelijk boek van deze of gene achtenswaardige en
Godsvruchtige Schrijver te lezen". Hij noemt schrijvers als Jakobus Hervey,
Ebenezer en Ralph Erskine, brieven van Johan Newton, leerredes (preken) van
D. Molenaar en veel anderen. Ook maakt hij regelmatig gewag van "de bijwoning van
een Godsdienstig gezelschap" als "mijne aangenaame en mede geliefkoosde bezigheid".
In die gezelschappen houdt men zich wekelijks bezig met het bestuderen van een
gedeelte uit de Bijbel, waarbij men ook de zorg deelt over "onze diep vervallen
kerk", waar "in den Godsdienst diep vervallene dagen vele gemeenten van onzen Heer
in ons dierbaar Vaderland eene zeer sobere en bekrompene bediening hebben",
waar "vele van onze Godvruchtige Godgeleerden van deze zuivere waarheden des
Evangeliums zijn afgegaan, welke door Reformateurs alsook door onze Dortsche
vaderen gehandhaaft en verdedigd zijn".
De dagboeken en overdenkingen van Symen zijn een uitgebreide weergave van de
"slingeringen mijnes gemoeds" en "oorlog in de ziel". Er is veel te lezen
zowel over "mijn werkheiligheid" als over "mijne ledigheid en werkeloosheid in
geestelijke zaken", zowel over "verpligting en roeping nuttig en vurig werkzaam
te zijn, want ons leven is slechts een handbreed en eene voorbijgaande schaduw"
als over "veel reden van verzuim, waarover ik treuren en klagen moet".
Alles krijgt een geestelijke op hemzelf betrokken wending: "Vandaag, tot mijn
innige smart, de roede over mijn kind gebruikende, herinnerde mij, hoe dikwerf
ik zulks van God verdien en mij waardig maak".
Zijn karakter maakt het hem ook niet echt gemakkelijk. Zo schrijft hij over
ontmoetingen "welke mij tot toorn verwekten", "maar nauwelijks uit de kerk
zijnde ontstak mijnen drift en werd zeer toornig door dat iemand aanleiding
gaf dat mijn kind moeilijk en kwaad werdt", een humeur dat "stuurs, nors en
onvriendelijk is over dingen van weinig waarde", "gemelijkheid vervulde mijn gemoed
omdat ik meen dat mij niet regt en evenredigheid gedaan wordt", een "melankolijk
gestel", een "ongemakkelijk humeursgestel dat wrevelig is van wegens een valsche
beschuldiging mij aangedaan", "daarbij een zwak en pijnlijk ligchaam" en "bovenal
een onbezonnen en roekeloos afdwalen van den zuiveren Evangelieweg". Al werkend,
lezend, kerkend, gezelschappend en schrijvend dwingt Symen zichzelf steeds weer
de weg in van de "vrije genade waardoor ik moet en zal gezaligd worden".


Fragment uit de "brief aan een vriend" van 23.7.1840
betreffende de omstandigheden van zijn geboorte en doop
in het handschrift van Symen Symens van der Wal.


Inhoud van een brief van Symen Symens van der Wal (1812-1845)
aan zijn zoon Gooitzen van der Wal (1833-1912),
gedateerd 16 juli 1842:
"
Wanneer gij uw jongelingsjaren zult bereikt hebben, dan zijt gij in een tijdperk
van uw leven dat zich veeltijds door wispelturigheid en veranderlijkheid kenmerkt.
Laat ik u tegen hetzelve waarschuwen. Zijt gij enigszins in een bestemd en van u
gekozen beroep gevordert, gaat van dit uw voornemen niet ligt af en ziet niet
zonder noodzaak naar een ander om, al is het, dat het u beter naar u zin en oordeel
mogt voorkomen of noodzakelijke omstandigheden moeten zulks noodwendig vereisen.
Want anders geeft gij u uit des Heeren weg, en hebt gij nooit op uw onderneming
Zijn zegen en goedkeuring te wachten. Bovendien zoudt gij ook bevinden, dat
alle verandering juist geen verbetering is, en dat alles met veel moeite en
bezwaar vergezelt is. Niets is er van al het ondermaanse dat de mensen regte
rust en de vergenoeging kan geven. In mijn vroegere jaren heb ik altijd naar
verandering in mijn handwerk gestaan, omdat het tegen mijn zin was, maar de
Heeren heeft zulks verhinderd en mijn werk met zegen en voorspoed bekroond.
Indien de vrees en de dienst van God huisvesten mag in uw hart, dan zult gij
u in zijn bestelling kunnen verblijden en vergenoegd zijn in de weg welke Hij
met u behaagd te houden, en zult uwe werkzaamheden met lust en vlijt verrichten.
Geeft u nooit over aan een luie lediggang. Want dezelve geeft aanleiding tot
vele schadelijke begeerten en kwade wegen, vooral in de jonge jaren. Onder
mijn veelvuldigste bezigheden heb ik dikwerf het veel beter wel voor mijn
gemoed gehad, als wanneer ik overvloediger tijd over had tot lezen, overdenken
en tot afzondering voor den Heer om zijn aangezicht in den gebede te zoeken.
Daarom zijt naarstig om te doen, alles wat uw hand vinden mag, al is het dat
uw lichaamsbehoeften en dagelijkse nooddruft zulks niet noodwendig vereisende is.
Zo gij overvloed hebben mag, dan zal het u ook niet ontbreken aan gelegenheden
om arme vrienden en vriendinnen te ondersteunen en te verkwikken uit uw goederen.
Wees geen onnutte verkwister van al het goed dezer aarde, dat de Heer u mocht
komen toevoegen. Want zodoende veracht gij de God die een bron van alle goede
gaven is. Gebruik alles met matigheid en dankzegging. Maar aan de andere kant waakt
zorgvuldig voor geldgierigheid, want dat is een wortel van alle kwaad.
Na onzen rampzaligen zondeval is het ons opgelegd om in het zweet onzes aangezicht
ons brood te eten. Maar laat nimmer toe dat gouddorst uw drijfveer in dezen zij,
want dan zult gij met vele smarten u zelve doorsteken. Waarvan ik zelf de
treurigste gevolgen heb ondervonden en reden heb mij desaangaande diep te
schamen en te verootmoedigen voor de Heer.
Zo ik aardse goederen nalaat (schoon ik daarvan niet zeker ben, want ik weet
wel wat ik nu heb, maar niet dat ik het zal behouden, daar het gelijk is aan
de eb en de vloed of wisselende maan) en waarvan gij thans mijn enige erfgenaam
zijt, handel daarmee niet onverschillig en zorgeloos, bedenkende dat het meeste
ervan, onder de zegen des Heren, door mij met nijverheid en vlijt is verworven.
Maar verpand uw hart er ook niet aan, bedenk de dingen die boven zijn en vergadert
u een schat in de hemel die geen mot nog roest verderft maar ongeschonden bewaart
zal blijven voor de erfwachters der zaligheid. Nu mijn zoon, houdt u bij den Heer,
wijdt u ganse hart aan Hem toe en Hij zal u zijn: u overvloedig goud en u krachtig
zilver. Dit wenst, dit bidt van harte u toe ...
Symen Symens van der Wal
"